Landbouw en visserij

Het leven op een Griekse boerderij was zwaar omdat in het grootste deel van Griekenland de grond schraal is. De Griekse boeren ploegden in de lente en nog eens in de herfst. De ploegen, die door ossen getrokken werden, waren van hout en hadden soms ijzeren punten om ze scherper te maken.

De boer volgde de ploeg en strooide het zaad, b.v. gerst, met de hand. De boeren baden tot Zeus en Demeter, godin van het graan, voor een goede oogst. Op de heuvelhellingen waren er wijngaarden en sommigen lieten de druiven in de zon drogen. Andere druiven werden geplukt voor de wijn, de populairste drank bij de Grieken. De meeste steden en dorpen lagen in de nabijheid van de zee en verschillende vissoorten werden gevangen met bronzen vishaken. Rijke mensen jaagden op wilde herten, everzwijnen en hazen. Armere mensen aten alleen tijdens speciale feesten vlees, wanneer er dieren aan de goden werden geofferd en dan verdeeld onder de gelovigen.