Hellenistische periode

In de 4e eeuw v.C. maakte een krachtig vorst, Philippos II, van Macedonië in het noorden de machtigste staat van Griekenland. Hij werd in 337 v.C. vermoord en zijn 20 jaar oude zoon Alexander, een militair genie, nam de teugels over. Hij was niet tevreden met zijn heerschappij over Griekenland, viel het Perzische Rijk binnen in 334 v.C. trok door Asia Minor, dan zuid- en oostwaarts naar Egypte, Afghanistan en Indië. Hij stichtte nieuwe Griekse steden, zoals Alexandrië in Egypte en verbreidde de Griekse cultuur in een groot gebied. Alexander, de Grote genoemd, was van plan een groot rijk te stichten, dat het grootste deel van de toen bekende wereld omvatte. Zijn dood in 323 v.C. betekende het einde van deze ambitie en zijn uitgestrekte rijk werd verdeeld onder zijn ruziënde generaals. De periode vanaf de dood van Alexander tot ongeveer 30 v.C. staat bekend als de hellenistische periode, van het woord ‘helleens’ dat Grieks betekent. De hellenistische koninkrijken handhaafden vele aspecten van het Griekse leven maar werden uiteindelijk overspoeld door de opkomende macht van Rome.